High maintenance

Geen dag die een mens zich zò doeltreffend moederziel alleen kan laten voelen als Valentijnsdag. Toegegeven, Kerst kan ook een gruwel zijn als je even geen wederhelft hebt maar dan ben je – doorgaans tenminste  – nog omringd door familie en of je daar nu trek in hebt of niet, je bent in elk geval onder de pannen. Valentijnsdag is bij uitstek gericht op stelletjes en als je daar geen deel van uit maakt gaat de hele heisa sowieso aan je voorbij. Nu heb ik het idee dat er in het nuchterige (lees: horkerige) Nederland überhaupt niet zoveel aandacht aan wordt besteed. De sigarenboer doet wel z’n best met het uitstallen van de pluche knuffelberen en Hallmark kaarten maar écht feestelijk wil het niet worden.

Valentijnsdag doet mij elk jaar denken aan de Donald Duck en dan vooral aan de problematische romance tussen Donald en zijn Katrien. Katrien Duck was toen al wat we nu ‘high maintenance’ noemen: veeleisend, permanent ontevreden en om het minste of geringste op haar eendenteentjes getrapt. Een regelrecht sekreet als je het mij vraagt maar Donald en Guus Geluk waren idolaat van d’r, dus het zal wel aan mij liggen. Op Valentijnsdag was het, zo herinner ik me, steevast bonje in huize Duck. Donald werd geacht om zich in allerlei bochten voor haar te wringen maar kwam dan uiteindelijk , na een lange dag vol mislukkingen, toch met een verlept bosje bloemen aanzetten of een halflege hartvormige doos bonbons. Die hartvormige doos bonbons is me nog het meest bijgebleven, want die zag ik nooit liggen bij de Jamin in Almere-Haven. Wél hartvormige lolly’s, spekjes, chocoladerepen etcetera… niet dat ik ooit maar ìets soortgelijks kreeg in mijn tienerjaren, laat staan een ansichtkaart en/of liefdesbrief. Want los dat het contact tussen mij en mijn mijn mannelijke leeftijdgenoten toentertijd nogal stroef verliep, blinkt de Nederlandse man gemiddeld ook niet echt uit in Romantiek.

Later ging het iets beter op liefdesgebied, alleen lukte het me nu op geen enkele manier mijn vriendjes te enthousiasmeren voor Valentijnsdag. Dacht ik eindelijk eens die langgekoesterde droom waar te maken van een hartvormige doos bonbons (mét roze strik eromheen), deden mijn vriendjes Valentijnsdag stuk voor stuk af als een “commerciële farce”. Zij die zich de rest van het jaar gerust volvraten bij McDonald’s en naar hartenlust bureaulampen kochten bij Ikea waren ineens tegen ‘de commercie’. En romantiek moest vooral spontaan zijn en niet bedacht door multinationals. Opééns hadden ze principes en ik kon dus fluiten naar m’n metershoge ansichtkaart en genetisch gemanipuleerde rode roos.

Nu vind ik niks zo burgerlijk als je afzetten tegen burgerlijkheid en kan ik toevallig heel erg genieten van commerciële wansmaak. Kijk, als je een klote relatie hebt en Valentijnsdag een moetje wordt waarop je tegen heug en meug met elkaar in een troosteloos eetcafé zit, by all means, laat het lekker aan je voorbij gaan. Maar als je elkaar wél leuk vindt (of zelfs de leukste), waarom zou je dan je hakken in het zand zetten? Waarom zou je een kans voorbij laten gaan om je geliefde zich geliefd te laten voelen?

Diep van binnen lijk ik toch iets meer op Katrien Duck dan ik dacht.

Pluishaar

Op de dag dat miljoenen vrouwen de straat op gaan om te protesteren tegen Trump ga ik met mijn dochter naar Artis. Thuis hangt een zwart-wit portret van mij aan de muur, gemaakt in Artis. Het was 1989, ik was vier en had die dag mijn lievelingsjurk aan, geel met zeilbootjes. Ik vraag me af of ze er nog steeds portretten maken. Waarschijnlijk digitaal met angstaanjagend felle kleuren. Zoals de crèche foto van mijn dochter waarop ze net een robot lijkt, een baby uit de toekomst, zò haarscherp dat het een beetje griezelig is.

Het is rustig in Artis. Alles ziet er nog precies zo uit als ik het me herinner. Kijk, wil ik tegen mijn dochter zeggen, hier klom mama vroeger tussen de stekels van de witte stegosaurus. En hier was vroeger ook al de apenrots. Mijn dochter is net één geworden en kijkt een beetje glazig voor zich uit. Ik realiseer me dat we hier misschien meer voor mij zijn dan voor haar.

Bij de giraffen leeft ze op. Ze kijkt vol verwondering omhoog en wijst: ‘oh!’. Terwijl mijn vriend en dochter nog bij de giraffen blijven plakken loop ik vast door naar de olifanten. Of liever gezegd: naar Sanuk, het baby olifantje. Bestaat er iets mooiers?

Sanuk klimt onhandig over een boomstronk en dartelt achter haar moeder aan, voor zover een olifant kan dartelen. Haar donshaartjes lijken op die van mijn dochter en ik schiet bijna vol. Sinds ik moeder ben is mijn hart een open zenuw, als ik niet uitkijk ben ik de hele dag aan het janken. Wollen wantjes met een touwtje ertussen, oude mensen die struikelen, sommige televisiereclames en nu dus donshaartjes. ‘Wat is er in godsnaam met me gebeurd?’ denk ik, terwijl ik gegeneerd het brok in mijn keel wegslik.

De leeuwen zitten allemaal op een kluitje in de hoek, veel te koud natuurlijk voor die arme beessies. Is het niet eigenlijk zielig voor de dieren? Doen we er wel goed aan om hier te komen? Mijn nostalgie vecht het aan met een gevoel wat ik vroeger nooit had.

In cafetaria de Twee Cheetahs is een duif naar binnen gevlogen. Mijn dochter lacht en probeert hem haar koekje te geven. Ik heb haar de hele dag nog niet zo enthousiast gezien. En dat voor een domme ordinaire rotduif. Mijn vriend staat in de rij voor een kroket. Overal om me heen zijn baby’s en kinderen met aangekoekte snotneuzen. Ik vind ze gek genoeg allemaal even lief.