Printemps

Ik loop alleen door Parijs. Het weer heeft iets weg van de lente. Ik vraag me af of de Parijzenaren die me tegemoet lopen mij een geloofwaardige Parisienne vinden. Of dat ze in één oogopslag zien dat ik van elders kom. Als ik in een andere stad ben moet ik altijd denken aan Kees de Jongen, die zich bij elke voorbijganger afvraagt of ze wel zien dat hij een héle bijzondere jongen is.

Het café met slow roasted bonen waar ik koffie had willen drinken blijkt dicht te zijn. Ik begrijp niet helemaal wat er op het briefje staat dat op de deur hangt. Iets met ‘dicht’ en ‘renovatie’. De Sorbonne is vlakbij, ik lummel er een beetje rond. Het is er opvallend schoon. ‘Wie lapt hier de ramen?’ denk ik. Ondertussen heb ik nog steeds geen koffie gehad.

Ik wandel een stukje naar Shakespeare & Company. Daar heb ik altijd al een keer een boek willen kopen en dan lezen in een verweerde leren stoel. Als ik aan kom lopen zijn ze net de boekenrekken buiten aan het zetten. De boekenverkoper ziet me aankomen: “sorry, we open in a half hour.” Een Japanse vrouw maakt foto’s van de gevel. Ik voel me meteen beschaamd.

Ik ga naar de buren voor koffie. Het is er klein en een beetje gemaakt curieus. De twee Parisiennes achter de kassa zijn te druk in gesprek om mijn opgewekte “bonjour!” te beantwoorden. Eén van hun begint Frans tegen me te spreken. Ze is zo’n meisje wiens gezicht permanent op ‘ontevreden’ staat. Ik heb toevallig dezelfde aandoening, al is het bij mij meer ‘geërgerd’. Wat in mijn optiek nog altijd beter is dan ontevreden.

Ik bestel koffie en een glas water. Ze gebaart dat er verderop een waterkan staat waar eenieder zelf water kan aftappen. Vol goede bedoelingen loop ik ernaar toe. Mademoiselle Zuurpruim roept me nog iets na maar ik versta haar niet en ga er ook vanuit dat ze het tegen haar collega heeft. Ik probeer tevergeefs water af te tappen als ze op me af komt stormen en bijna het glas uit mijn water rukt. “I just have to top it up!” bijt ze me toe. Ik weet van ellende niet wat te doen en probeer alsnog water te tappen terwijl ze hem bijvult. Er lekt overal water. Er moet een theedoek aan te pas komen. Het is vreselijk.

Benauwd geworden schuifel ik weg. M’n koffie moet ik zelf maar op komen halen, de mensen naast me krijgen die van hun wel netjes bediend, met een koekje erbij. Voor de duidelijkheid: bij mij is er geen koekje te bekennen. Ik tik mijn koffie achterover en laat de deur zonder gedag te zeggen achter me dicht vallen. Misschien moet ik daar stennis schoppen, denk ik nog. Die griet over de toog trekken. In Amsterdam weet ik altijd wat te zeggen. Ik hoor hier niet thuis.