Blog

Hoe mijn baby me hielp mijn lichaam te accepteren

Het oorspronkelijke artikel is te lezen op Mama is Alles

Als puber was ik extreem onzeker. Ik wilde alles zijn behalve mezelf: niet lang en dun (ik werd door mijn familie liefkozend ‘spijker’ genoemd, reuze bedankt nog), ik wilde geen bruine maar blauwe ogen, geen dopneus maar een rechte neus zoals Heather Locklear uit Melrose Place. Ik lachte nooit op foto’s omdat ik vond dat ik er dan lelijk uit zag.

Het waren de jaren ’90 en Pamela Anderson was het summum van schoonheid en seks-appeal. Platinablond, grote borsten… kortom: ze had alles waar ik niet mee gezegend was. Toen ik ook nog last kreeg van acne daalde mijn zelfvertrouwen tot een dieptepunt.

Amandelen tellen

Later kwam ik iets beter in mijn knokige lijf te zitten, ik ben zelfs een blauwe maandag model geweest. De momenten waarop mijn heupen werden opgemeten met een meetlint (zo eentje die je op de bouwmarkt koopt), of een casting agent misprijzend naar mijn slechte huid keek staan in mijn ziel gegrift. Op zo’n casting werd ik meestal omringd door bloedmooie meisjes, de een nog ongelukkiger dan de ander. Want een leuk bekkie hebben is één ding maar er is altijd wel iemand die mooier is: daar waren we ons allemaal maar al te goed van bewust. Je kon amandelen tellen tot je – letterlijk – een ons woog maar er was altijd wel iemand dunner, talentvoller, met nóg langere benen en nóg glanzender haar. Je kon het nooit winnen. Ik had er al snel tabak van en heb mijn portfolio in de prullenbak gegooid. Want, zoals een modellenscout me ooit fijntjes toebeet, “Kate Moss zou ik toch nooit worden”. Dan niet, dacht ik, en ik heb er nooit om getreurd.

Neerwaartse spiraal

Tegenwoordig zit ik best prima in mijn vel. Maar toch kan ik opeens een slechte bui hebben en word ik ineens weer dat meisje van 13 met acne, dat het niet eens kon verdragen om in de kapper naar de spiegel te kijken. Even spieken op Instagram kan dan zomaar uitmonden in een brok in m’n keel, terwijl ik gewoon blijf loeren naar foto’s van modellen. Daar ben ik dan zeker een paar uur goed chagrijnig van of ik neem impulsief een – veel te duur – pilates abonnement. Maar sinds ik moeder ben heb ik dit soort momenten veel minder vaak dan vroeger. Dankzij mijn dochter kijk ik met meer compassie naar mezelf.

Een wandelend cliché

Het is 15 december 2015, drie uur ‘s nachts. Ik ben de avond ervoor bevallen van mijn dochter Puck en zit rechtop in mijn ziekenhuisbed, nog klaarwakker van de adrenaline. Naast mij ligt Puck te slapen. Ik voel me uitgeput, uitgewrongen, alsof ik overreden ben door een vrachtwagen en tegelijkertijd verschrikkelijk verliefd ben geworden. De dagen erna kan ik het grootste gedeelte van de dag alleen maar naar haar staren. Ik ben, kortom, een wandelend cliché geworden. Een paar weken na mijn bevalling vang ik mijn eigen naakte spiegelbeeld op in de spiegel en merk een verschil: in plaats van dat ik meteen een opsomming doe in mijn hoofd van al mijn tekortkomingen, zie ik nu een lichaam dat natuurkrachten heeft doorstaan. Dat een klein mens heeft gebouwd, van haar teennagels tot haar knieschijven tot haar schuine buikspier. Een meisje dat in mijn ogen zo perfect is in haar menselijke imperfectie, dat het mijn hart breekt om te denken dat ze zichzelf straks naar beneden haalt.

Onzekerheden horen erbij

In deze tijden van social media en onhaalbare schoonheidsmaatstaven maak ik me oprecht zorgen over hoe ik mijn dochter straks moet beschermen tegen invloeden van buitenaf die haar vertellen dat ze niet goed genoeg is. Tijdschriften, films en social media die haar een belachelijk beeld inprenten van hoe ze eruit zou moeten zien. Maar omdat ik weet dat onzekerheden nou eenmaal bij opgroeien horen en ik de wereld om haar heen niet kan beïnvloeden, probeer ik mijn verantwoordelijkheid te nemen door nooit maar dan ook nooit negatief over mijn uiterlijk te spreken waar zij bij is.

“Mijn lichaam, waar ik altijd iets over te zeuren heb gehad, heeft mijn beeldschone dochter gemaakt.”

Are you hot or are you not?

Ik doe mijn uiterste best om naar mezelf te kijken zoals ik naar haar kijk: met liefde en met mededogen. Elke keer als ik te kritisch ben op mezelf probeer ik te denken aan het tv-programma ‘Are you hot or are you not?’ (Inmiddels allang van de buis gehaald). Daarin werden (onwijs afgetrainde) mannen en vrouwen beoordeeld door een jury die met een rode infraroodpen over hun niet-bestaande cellulitis en vetrolletjes ging.

Kappen met die onzin

Om een of andere reden vond ik dit altijd een hilarisch onderdeel. Want wie denken die mensen wel niet dat ze zijn? Hoe triest en ongelukkig moet je je wel niet voelen om andere mensen op deze manier te kakken te zetten op televisie? Het is te bizar voor woorden. Als ik Puck ooit op zo’n manier over haarzelf of een ander meisje hoor praten krijgt ze van mij de wind van voren. Dus is het niet meer dan eerlijk om ook zo streng te zijn tegen mezelf als ik weer eens inwendig aan de gang ga met de rode infraroodpen: kappen met die onzin.

Swiebertje

Mijn dochter is lief maar ook soms onuitstaanbaar, heel vaak vrolijk maar ook wel eens kribbig… kortom: geen perfect kind maar een echt mens. Met goede en minder goede dagen. Ik ben zo verliefd op haar dat ik mezelf er wel eens op betrap dat ik, een uur nadat ze naar bed is gegaan, door foto’s van haar op mijn telefoon zit te scrollen.

Ik, haar moeder, heb een rol over mijn broek hangen en wallen onder mijn ogen die waarschijnlijk nooit meer weg gaan. Ik loop er de helft van de tijd bij als Swiebertje omdat ik simpelweg de energie en de tijd niet heb om een hele outfit bij elkaar te bedenken. Make-up? Geen zin in. Ik ben moe maar gelukkig en het leven is gewoon te kort en te kostbaar om continu ontevreden te zijn met wie je bent. Mijn lichaam, waar ik altijd iets over te zeuren heb gehad, wat ik mijn ogen nooit goed genoeg was, heeft mijn beeldschone dochter gemaakt. Voor dat lichaam past niets minder dan respect en bewondering.

Printemps

Ik loop alleen door Parijs. Het weer heeft iets weg van de lente. Ik vraag me af of de Parijzenaren die me tegemoet lopen mij een geloofwaardige Parisienne vinden. Of dat ze in één oogopslag zien dat ik van elders kom. Als ik in een andere stad ben moet ik altijd denken aan Kees de Jongen, die zich bij elke voorbijganger afvraagt of ze wel zien dat hij een héle bijzondere jongen is.

Het café met slow roasted bonen waar ik koffie had willen drinken blijkt dicht te zijn. Ik begrijp niet helemaal wat er op het briefje staat dat op de deur hangt. Iets met ‘dicht’ en ‘renovatie’. De Sorbonne is vlakbij, ik lummel er een beetje rond. Het is er opvallend schoon. ‘Wie lapt hier de ramen?’ denk ik. Ondertussen heb ik nog steeds geen koffie gehad.

Ik wandel een stukje naar Shakespeare & Company. Daar heb ik altijd al een keer een boek willen kopen en dan lezen in een verweerde leren stoel. Als ik aan kom lopen zijn ze net de boekenrekken buiten aan het zetten. De boekenverkoper ziet me aankomen: “sorry, we open in a half hour.” Een Japanse vrouw maakt foto’s van de gevel. Ik voel me meteen beschaamd.

Ik ga naar de buren voor koffie. Het is er klein en een beetje gemaakt curieus. De twee Parisiennes achter de kassa zijn te druk in gesprek om mijn opgewekte “bonjour!” te beantwoorden. Eén van hun begint Frans tegen me te spreken. Ze is zo’n meisje wiens gezicht permanent op ‘ontevreden’ staat. Ik heb toevallig dezelfde aandoening, al is het bij mij meer ‘geërgerd’. Wat in mijn optiek nog altijd beter is dan ontevreden.

Ik bestel koffie en een glas water. Ze gebaart dat er verderop een waterkan staat waar eenieder zelf water kan aftappen. Vol goede bedoelingen loop ik ernaar toe. Mademoiselle Zuurpruim roept me nog iets na maar ik versta haar niet en ga er ook vanuit dat ze het tegen haar collega heeft. Ik probeer tevergeefs water af te tappen als ze op me af komt stormen en bijna het glas uit mijn water rukt. “I just have to top it up!” bijt ze me toe. Ik weet van ellende niet wat te doen en probeer alsnog water te tappen terwijl ze hem bijvult. Er lekt overal water. Er moet een theedoek aan te pas komen. Het is vreselijk.

Benauwd geworden schuifel ik weg. M’n koffie moet ik zelf maar op komen halen, de mensen naast me krijgen die van hun wel netjes bediend, met een koekje erbij. Voor de duidelijkheid: bij mij is er geen koekje te bekennen. Ik tik mijn koffie achterover en laat de deur zonder gedag te zeggen achter me dicht vallen. Misschien moet ik daar stennis schoppen, denk ik nog. Die griet over de toog trekken. In Amsterdam weet ik altijd wat te zeggen. Ik hoor hier niet thuis.

High maintenance

Geen dag die een mens zich zò doeltreffend moederziel alleen kan laten voelen als Valentijnsdag. Toegegeven, Kerst kan ook een gruwel zijn als je even geen wederhelft hebt maar dan ben je – doorgaans tenminste  – nog omringd door familie en of je daar nu trek in hebt of niet, je bent in elk geval onder de pannen. Valentijnsdag is bij uitstek gericht op stelletjes en als je daar geen deel van uit maakt gaat de hele heisa sowieso aan je voorbij. Nu heb ik het idee dat er in het nuchterige (lees: horkerige) Nederland überhaupt niet zoveel aandacht aan wordt besteed. De sigarenboer doet wel z’n best met het uitstallen van de pluche knuffelberen en Hallmark kaarten maar écht feestelijk wil het niet worden.

Valentijnsdag doet mij elk jaar denken aan de Donald Duck en dan vooral aan de problematische romance tussen Donald en zijn Katrien. Katrien Duck was toen al wat we nu ‘high maintenance’ noemen: veeleisend, permanent ontevreden en om het minste of geringste op haar eendenteentjes getrapt. Een regelrecht sekreet als je het mij vraagt maar Donald en Guus Geluk waren idolaat van d’r, dus het zal wel aan mij liggen. Op Valentijnsdag was het, zo herinner ik me, steevast bonje in huize Duck. Donald werd geacht om zich in allerlei bochten voor haar te wringen maar kwam dan uiteindelijk , na een lange dag vol mislukkingen, toch met een verlept bosje bloemen aanzetten of een halflege hartvormige doos bonbons. Die hartvormige doos bonbons is me nog het meest bijgebleven, want die zag ik nooit liggen bij de Jamin in Almere-Haven. Wél hartvormige lolly’s, spekjes, chocoladerepen etcetera… niet dat ik ooit maar ìets soortgelijks kreeg in mijn tienerjaren, laat staan een ansichtkaart en/of liefdesbrief. Want los dat het contact tussen mij en mijn mijn mannelijke leeftijdgenoten toentertijd nogal stroef verliep, blinkt de Nederlandse man gemiddeld ook niet echt uit in Romantiek.

Later ging het iets beter op liefdesgebied, alleen lukte het me nu op geen enkele manier mijn vriendjes te enthousiasmeren voor Valentijnsdag. Dacht ik eindelijk eens die langgekoesterde droom waar te maken van een hartvormige doos bonbons (mét roze strik eromheen), deden mijn vriendjes Valentijnsdag stuk voor stuk af als een “commerciële farce”. Zij die zich de rest van het jaar gerust volvraten bij McDonald’s en naar hartenlust bureaulampen kochten bij Ikea waren ineens tegen ‘de commercie’. En romantiek moest vooral spontaan zijn en niet bedacht door multinationals. Opééns hadden ze principes en ik kon dus fluiten naar m’n metershoge ansichtkaart en genetisch gemanipuleerde rode roos.

Nu vind ik niks zo burgerlijk als je afzetten tegen burgerlijkheid en kan ik toevallig heel erg genieten van commerciële wansmaak. Kijk, als je een klote relatie hebt en Valentijnsdag een moetje wordt waarop je tegen heug en meug met elkaar in een troosteloos eetcafé zit, by all means, laat het lekker aan je voorbij gaan. Maar als je elkaar wél leuk vindt (of zelfs de leukste), waarom zou je dan je hakken in het zand zetten? Waarom zou je een kans voorbij laten gaan om je geliefde zich geliefd te laten voelen?

Diep van binnen lijk ik toch iets meer op Katrien Duck dan ik dacht.

Pluishaar

Op de dag dat miljoenen vrouwen de straat op gaan om te protesteren tegen Trump ga ik met mijn dochter naar Artis. Thuis hangt een zwart-wit portret van mij aan de muur, gemaakt in Artis. Het was 1989, ik was vier en had die dag mijn lievelingsjurk aan, geel met zeilbootjes. Ik vraag me af of ze er nog steeds portretten maken. Waarschijnlijk digitaal met angstaanjagend felle kleuren. Zoals de crèche foto van mijn dochter waarop ze net een robot lijkt, een baby uit de toekomst, zò haarscherp dat het een beetje griezelig is.

Het is rustig in Artis. Alles ziet er nog precies zo uit als ik het me herinner. Kijk, wil ik tegen mijn dochter zeggen, hier klom mama vroeger tussen de stekels van de witte stegosaurus. En hier was vroeger ook al de apenrots. Mijn dochter is net één geworden en kijkt een beetje glazig voor zich uit. Ik realiseer me dat we hier misschien meer voor mij zijn dan voor haar.

Bij de giraffen leeft ze op. Ze kijkt vol verwondering omhoog en wijst: ‘oh!’. Terwijl mijn vriend en dochter nog bij de giraffen blijven plakken loop ik vast door naar de olifanten. Of liever gezegd: naar Sanuk, het baby olifantje. Bestaat er iets mooiers?

Sanuk klimt onhandig over een boomstronk en dartelt achter haar moeder aan, voor zover een olifant kan dartelen. Haar donshaartjes lijken op die van mijn dochter en ik schiet bijna vol. Sinds ik moeder ben is mijn hart een open zenuw, als ik niet uitkijk ben ik de hele dag aan het janken. Wollen wantjes met een touwtje ertussen, oude mensen die struikelen, sommige televisiereclames en nu dus donshaartjes. ‘Wat is er in godsnaam met me gebeurd?’ denk ik, terwijl ik gegeneerd het brok in mijn keel wegslik.

De leeuwen zitten allemaal op een kluitje in de hoek, veel te koud natuurlijk voor die arme beessies. Is het niet eigenlijk zielig voor de dieren? Doen we er wel goed aan om hier te komen? Mijn nostalgie vecht het aan met een gevoel wat ik vroeger nooit had.

In cafetaria de Twee Cheetahs is een duif naar binnen gevlogen. Mijn dochter lacht en probeert hem haar koekje te geven. Ik heb haar de hele dag nog niet zo enthousiast gezien. En dat voor een domme ordinaire rotduif. Mijn vriend staat in de rij voor een kroket. Overal om me heen zijn baby’s en kinderen met aangekoekte snotneuzen. Ik vind ze gek genoeg allemaal even lief.

Het kan niet altijd feest zijn

boer-zoekt-vrouw-internationaal-2016-e1472290020504

In de winter van 2013 had ik een zeer ernstig geval van liefdesverdriet te pakken. Buiten lag een dik pak sneeuw en binnen stookte ik de kachel meestal op tot 25 graden. Na een maand in bed te hebben gelegen met de gordijnen dicht wist ik van gekkigheid niet meer wat te kijken. Mijn redding kwam toen uit onverwachte hoek in de vorm van Boer Zoekt Vrouw.

Als je liefdesverdriet hebt helpt eigenlijk niets. De vaak ongevraagde adviezen gaan het ene oor in en het andere uit. De talrijke zuipfestijnen en daaropvolgende gedoemde nachtelijke smsjes naar je ex (“ik hou vna je”) maken het eigenlijk alleen maar erger.

Er zijn meerdere elementen die Boer Zoekt Vrouw in dit soort tijden zo troostend maakt. De zalvende, opgewekte stem van Yvon Jaspers (“há-llo!”). De oer Hollandsheid ervan: bruin betegelde keukens. Plastic kamerplanten. Kleffe witte kadetjes met voorgesneden plakjes kaas. Drie kopjes thee zetten van één zakje. Bevroren slavinken. Wortel (?) in de bami doen met een flinke scheut Maggi erover.

Omdat ik normaal gesproken geen fan ben van de KRO en/of Yvon Jaspers was het bestaan van Boer Zoekt Vrouw al acht seizoenen lang compleet aan me voorbij gegaan. Maar tijdens die buitengewoon deprimerende winter heb ik alle 96 afleveringen vrijwel in één ruk door gekeken. Sindsdien raad ik iedereen met een gebroken hart hetzelfde aan.

Op 12 februari gaat de nieuwe reeks van start en ik zit te popelen. De hunkerende vrouwen van Nederland hebben twee weken de tijd gehad om hun brieven te schrijven. Van die brieven word ik altijd zò vrolijk. Sommigen houden het bij een beknopte doch doeltreffende e-mail maar anderen knutselen wat af. Ansichtkaarten van twee meter, hele creaties van papier maché… Ik stel me dan zo voor dat die vrouwen aan de keukentafel ijverig zitten te lijmen en te plakken, met hoop in hun hart. De wereld gaat naar de knoppen maar de mensen geloven nog in de liefde! Zelfs nu moet ik er bijna een beetje van huilen.

Terug naar die noodlottige winter van 2013. Toen Boer Zoekt Vrouw mij vond had ik me al maandenlang verbeten. Ik vond dat ik vooral heel flink moest zijn en niet mocht zeuren. M’n vrienden vonden het al na twee weken weleens tijd voor een nieuwe liefde. Maar ik voelde me met de dag ongelukkiger en alleen al de gedachte aan één of andere vreselijk ongemakkelijke Tinderdate maakte me misselijk. Het was eigenlijk een kwestie van schouders eronder en doorpakken. Alleen lukte dat totaal niet. Hoe meer ik mezelf probeerde te dwingen om verder te gaan met mijn leven, hoe langer de misère leek te duren. Op dat moment was het een verademing om naar hele normale mensen te kijken met hele normale verlangens, die er gewoon voor uit durfden te komen dat ze een arm om zich heen misten na een lange dag. Dat wat ik niet hardop durfde te zeggen maar wel voelde.

In de huidige tijd, waarin iedereen zo zijn best doen om bijzonder te zijn, geeft een serie als Boer Zoekt Vrouw lucht met haar doodgewone truttigheid. Net als zovelen in de Randstad word ik dagelijks doodgegooid op social media met uitzonderlijk trendy levens die lijken te bestaan uit hoogtepunten. Natuurlijk weet ik ergens wel dat elk huissie z’n kruissie heb, alleen is dat soms moeilijk te onthouden. We mogen niet meer toegeven dat we het soms even niet meer weten. Tegenwoordig is een tegenslag ‘een uitdaging’ en meer dan ooit tevoren kunnen we behendig een pantser voor onszelf creëren: met mij gaat het altijd goed, mooi en beter. Doodvermoeiend.

Dankzij Boer Zoekt Vrouw kwam ik na 96 afleveringen tot een doorbraak. Die was simpelweg: het kan niet altijd feest zijn. Recht je rug, open je hart en knutsel een liefdesbrief in elkaar. Dan komt het vanzelf goed.

We weten het nou wel

victoria-secret-angels
Wat een diversiteit! Geweldig!

Over clean eating, #fitgirls en de Victoria’s Secret-terreur. 

De afgelopen weken werd ik net als de rest van de wereld doodgegooid met de Victoria’s Secret show. Ontsnappen was bijna niet mogelijk: op televisie, social media en in tijdschriften glommen de keiharde buikspieren van Adriana Lima en kornuiten me overal tegemoet. Alsof die platvloerse, ordinaire jaren ’90 lingerie niet genoeg is moesten we ook nog collectief de fitness tips van het gezelschap aanhoren. Niets dan respect hiervoor natuurlijk, begrijp me niet verkeerd. Supermodel zijn is topsport, zoveel is duidelijk. Reuze leuk allemaal, maar wat moet ìk ermee?

Iedereen weet dat het bij de Victoria’s Secret show niet gaat om de lingerie, die is namelijk alles behalve bijzonder. En dan de show zelf: de met Swarovski kristallen behangen vleugels, de wind in de weelderige haardossen… het is over the top smakeloos. Nee, waar het werkelijk om draait zijn de modellen. Op niet al te subtiele wijze wordt ons door de strot gedouwd dat deze vrouwen het summum zijn van schoonheid. Maar dan het soort schoonheid wat tegenwoordig modieus is. Het is tegenwoordig niet meer genoeg om slechts mooi te zijn. Wat de Victoria’s Secret Angels vooral laten zien is een ijzeren discipline en nu meer dan ooit voelen vrouwen de druk om net zo te zijn, om net als zij het ‘beste uit zichzelf te halen’. Een rondje joggen ’s ochtends is voor slappelingen zonder ruggengraat. Als je niet voor de dag begonnen is al 10K hebt gerend kun je wel inpakken.

Even voor de duidelijkheid: er is uiteraard niks mis met gezond eten en gezond leven, mijn zegen hebben ze. Ik moedig niemand aan om elke dag een bak KFC leeg te kanen om vervolgens langzaam dicht te slibben. Maar het andere uiterste begint nu de norm te worden: het is clean eating en fitgirls wat de klok slaat. Doodvermoeiend en vooral verschrikkelijk sàài, dat oeverloze gelul over voeding en sport. Prima als je gezond leeft en eet maar val mij er alsjeblieft niet mee lastig. Ik mis de tijd waarin mensen een rondje jogden in het park in een aftandse joggingbroek zonder dat iemand daarvan op de hoogte was. Maar dankzij Nike+ weet ik nu dat een vage kennis met wie ik  in 1991 ooit op zeilkamp ben geweest elke ochtend een rondje Vondelpark rent. WHO GIVES A SHIT. Die zelfgenoegzame fitgirls, die zich zò verheven voelen omdat ze ‘clean’ eten… Alsof ze daarom beter zijn dan een ander. WOEST word ik ervan. Als ik nog één foto zie van een salade/matcha thee/bootcamp sessie draai ik het gas open.

We meten onszelf af aan de Victoria’s Secret Angels en vergeten daarbij iets ontzettend belangrijks: wij worden niet buitensporig veel geld betaald om de godganse dag in de sportschool te staan. Maar al die artikelen over de fitness regimes van deze modellen wekken de suggestie dat we onszelf dagelijks af zouden moeten beulen in de sportschool om het ultieme Victoria’s Secret lijf te bemachtigen. Waarom ook alweer? Wanneer mogen we goddomme een keer tevreden zijn met onszelf? Ik kan niet meer, ik ben kapot. Laat me toch eens met rust.

De Victoria’s Secret show is de perfecte weerspiegeling van wat ik een zorgwekkende trend vind: als we onszelf maar genoeg afbeulen worden we net als die modellen (of komen er heel dichtbij) en daarmee vanzelf gelukkig. Ik ken genoeg bloedmooie en tegelijkertijd dodelijk onzekere vrouwen om te weten dat dit klinkklare onzin is. Want als je eenmaal die rock hard buns hebt wil je wel weer wat anders.  Als je maar hard genoeg zoekt vind je altijd wel iets wat mankeert. Zo zit de mens kennelijk in elkaar.

Het baart me zorgen dat dit de rolmodellen zijn waar jonge vrouwen tegenop kijken. Het kan ze nog jaren kosten van dagelijkse zelfkastijding om erachter te komen dat nog niet eens 1% van de wereldbevolking eruit ziet als de Victoria’s Secret clan. De rest moet het doen met wat ze hebben. Je kan je helemaal het schompes fitnessen maar Doutzen word je toch nooit. Is dat dan erg? Ik vind van niet. Gewoon maar wat aanrommelen in het leven, gewoon een paar vetkwabben… misschien wordt dàt ooit nog eens modieus. Maar ik vrees van niet.